Half verscholen aan de rand van het Speulderbos staat een oude jagershut: de Hut van Cartouche. Kort na de Tweede Wereldoorlog betrok de jonge Arnold van der Wal het provisorisch onderkomen, waar hij niet meer uit zou vertrekken. Enkele jaren geleden kochten Peter Post en zijn vrouw het pand om er te gaan wonen en de hut als historisch erfgoed te restaureren en te bewaren.
Arnold Van der Wal, zelf een jager, was hoofdredacteur van het tijdschrift van de Koninklijke Nederlandse Jagersvereniging en schreef onder het pseudoniem Cartouche talloze verhalen in het blad over wat hij meemaakte in de bossen. Peter vertelt: ‘Na de oorlog was het op de Veluwe slecht gesteld met de wildstand. Van der Wal besloot met de jacht op grofwild net zo lang te wachten tot er weer sprake was van een gezonde wildstand. Hij moest daarvoor ook mensen inhuren om stropers tegen te houden.
Pas na 10 jaar was het zover, maar de directe omgeving van zijn eigen hut bleef een rustgebied. Vanuit de hut observeerde hij de dieren liever dan dat hij ze schoot. Hij nodigde veel mensen uit in zijn hut om te filosoferen over alles wat met de jacht te maken had, ook mensen die anti-jacht waren. Acteurs, schrijvers en ook Rien Poortvliet was een regelmatige bezoeker en heeft er ook veel tekeningen gemaakt. Het vele observeren en het zorgdragen voor een gezonde wildstand bracht Van der Wal tot een van de grondleggers van verantwoord wildbeheer. Hij pleitte ervoor om vooral de zwakke dieren te selecteren die bijvoorbeeld herkenbaar zijn aan de misvorming van hun geweien. In de hut is dat goed te zien: er hangen talloze geweien en geweitjes. Ook hangt er de kop van een wild zwijn, dat hem ooit gebeten heeft.
Peter: ‘De jager had als regel voor zijn gezelschap dat je nooit achter aangeschoten wild aan moet gaan. Hijzelf deed dat een keer wel en werd daarbij door het zwijn aangevallen en gebeten. Het is dat hij zijn hand voor zijn gezicht hield, anders was het veel slechter met hem afgelopen. De kop van het zwijn heeft hij daarop in de hut opgehangen om zichzelf eraan te herinneren dat hij die ene jagersregel nooit meer zou overtreden.’
Een droom
Toen Van der Wal in 1987 kinderloos overleed liet hij de hut na aan het SBNL Natuurfonds, zodat de jachtfunctie van de hut behouden zou blijven. Jagers en kunstenaars hebben er vervolgens vijfentwintig jaar dankbaar gebruik van gemaakt. Toen het jagerscollectief ermee stopte en de hut niet meer paste binnen de doelstellingen van het fonds werd het tijd om er afstand van te doen. Een van de neven van Cartouche, Kees van der Wal ging dat aan het hart omdat het risico aanwezig was dat bij verkoop de hut en de geschiedenis verloren zou gaan. Hij zocht publiciteit en er verscheen een artikel in de Stentor over de Hut van Cartouche.
Peter: ‘Ik had altijd al de droom om in het bos te wonen, wat onhaalbaar leek, en toen las ik dat artikel. Mijn vrouw en ik waren direct enthousiast en hebben samen een goed doordacht plan gemaakt. Wij wilden in ieder geval de hut in zijn oorspronkelijke staat behouden en als cultuur-historisch erfgoed toegankelijk maken voor publiek. Vervolgens hebben wij een bod gedaan en ons plan aan de stichting voorgelegd. Kennelijk vond men ons plan goed en zo is het ons gegund. We hebben eerst twee jaar in de hut gewoond, terwijl er gebouwd werd aan het huis dat een eindje verderop staat. Het huis is een meergeneratiewoning en oogt als een schuur.
De bedoeling is dat het zo min mogelijk opvalt in het landschap. Als iemand die is opgegroeid in het bos voel ik mij hier helemaal thuis. Mijn vrouw wilde graag met haar ouder wordende ouders onder een dak wonen en dat hebben we op deze bijzonder plek kunnen realiseren.’
Bed & Breakfast
De hut wordt als Bed & Breakfast-accommodatie aangeboden: logeren in een museum. Post en zijn familie willen er geen openbaar museum van maken en willen ook geen toeristische trekpleister zijn. Peter: ‘Er mag een beetje mystiek om de hut heen hangen en mensen mogen moeite doen om het te vinden. Daarom hebben wij ook geen bordje aan de weg gezet. De B&B is bedoeld voor rustzoekers en natuurliefhebbers.’ De inrichting van de hut nodigt daar ook toe uit: het is knus en intiem, ondanks de vele ramen die je blik het bos in trekken. Je waant je in voorbije jaren met al die oorspronkelijke spullen en meubels. Wel hebben ze meer comfort aangebracht met een moderne badkamer en slaapkamer, verwarming en elektriciteit.
Elke gast krijgt een persoonlijke rondleiding van Peter, die vol zit met verhalen over Cartouche en zijn hut. Zo laat hij zien dat er voor de haard een koffertje aan het plafond hangt: ‘Van der Wal had soms wel twaalf honden rondlopen, maar als hij gasten had, dronken ze samen een borrel. Met twaalf honden kun je je voorstellen dat er nog wel eens een borrel om werd gezwiept door een hondenstaart. Daarom maakt hij dit koffertje dat je kunt laten zakken tot op een hoogte waar de hondenstaarten geen kwaad kunnen. Het is behalve een zwevende tafel ook een bewaarplaats voor tabak.
Borrels lustte Van der Wal blijkbaar graag, want twee verschillende postbodes vertelden me er laatst exact hetzelfde verhaal over. Hij nodigde de postbode uit voor een borrel en bij vertrek vroeg hij hem of hij de volgende keer niet een paar flessen jenever voor hem kon meebrengen. Omdat de honden de boel behoorlijk vervuilden maakte Van der Wal op verzoek van de huishoudster een kleine hondenruimte aan de woonkamer vast, die afgesloten kon worden met houten deurtjes. Maar door de dichte deurtjes had hij geen oogcontact meer met zijn dieren. Daarop heeft zijn jachtopzichter hazen in de deuren uitgezaagd en kon hij z’n honden weer zien.’
Ook nu komen er soms oorspronkelijke aanvullingen voor het museum binnen, zoals de oude typmachine die een andere neef nog ergens op zolder had staan. Het boek dat Cartouche zelf heeft geschreven onder de titel Hutverhalen ligt voor de gasten klaar om te lezen. Het is helaas niet meer te koop, tenzij je een exemplaar op de tweedehandsmarkt op de kop kunt tikken.
Door Greet Kappers













